Voorzichtig woel ik mijn voeten door het warme schelpenzand. In de verte rollen de golven langzaam heen en weer. Ik knipper met mijn ogen tegen het felle zonlicht.
Er is niemand om me heen. Het strand is leeg.
Waar ben ik?
Beelden flitsen door mijn hoofd en maken dat ik een stekende hoofdpijn krijg. De heftige hoofdpijn zorgt ervoor dat ik bijna moet overgeven. Mijn hart en hoofd bonken. Ik laat mijn hoofd tussen mijn benen zakken en hap naar adem. De beelden van vannacht schieten door mijn hoofd. Een storm van geluid en water, veel water… Wat gek dat het nu zo warm en stil is op het strand.
Voorzichtig hijs ik mij overeind en klop het zand van mijn broek. Als ik me nou maar kon herinneren wat er was gebeurd. Al weet ik niet of ik dat wel wil.
Langzaam loop ik naar de zee en laat het verkoelende water over mijn voeten rollen.
Ik haal diep adem en voel de zeelucht in mijn neus prikken. Na een paar keer rustig ademhalen, zakt het bonzen van mijn hart. Ik staar in de verte en terwijl ik met dichtgeknepen ogen tegen de zon inkijk, probeer me te bedenken waar ik ben en wat er is gebeurd.
Ik herinner me flarden van ruzie met Geert. We schreeuwden, of tenminste, ik schreeuwde. Geert keek me nogal onnozel aan en zei niks, zoals gewoonlijk als we ruzie hadden. Dat maakte me altijd nog bozer. Ik schreeuwde en er vloog ook iets rond.
Oef, daar begon het gebons weer. Mijn adem stokt en het lijkt alsof ik geen lucht meer krijg. De zon draait om me heen en ik moet gaan zitten om niet te vallen. Het zeewater stroomt mijn broekspijpen in, ik knijp mijn vingers vast in het natte zand, alsof ik zo grip probeer te krijgen op de dingen om me heen.
Jemig, wat voel ik mij beroerd.
De laatste weken heb ik vaak last gehad van stemmingswisselingen. Het hoort een beetje bij me, maar de laatste tijd werd het erger. Ik kon zelfs de kinderen niet meer goed hebben, begon om het minst of geringst tegen ze te schreeuwen. Gisteravond werd het onhoudbaar. Of was het alweer eergisteren? Mijn hoofdpijn lijkt mij mijn tijdsbesef te hebben afgenomen. De hele dag al was ik moe en had ik nergens zin in. De kinderen irriteerden me en dat Geert weer laat van z’n werk zou zijn, maakte me nog chagrijniger.
Ik wil zo graag een goede moeder zijn. Een goede vrouw? Het lukt me niet. Ik wil zoveel en het lijkt wel alsof alles wat ik wil alleen in mijn hoofd lukt. Ik krijg er regelmatig heftige hoofdpijnaanvallen van. Daarbij word ik zo draaierig en misselijk dat ik op de bank moet gaan liggen.
Gisteravond voelde ik me weer zo. Waardeloos. Moe. Mijn stemming vloog alle kanten op. Zo begon ik waarschijnlijk ook aan die fles wijn. Oei. Bij het denken aan de fles die ik had leeggedronken, krimpt mijn maag ineen.
Ik draai me om en geef over in de branding. Ik maak een kommetje van mijn handen en laat het zoute water mijn mond reinigen.
Eigenlijk wel lekker even die rust. Ik bibber, maar de warme zon verwarmt snel mijn rug. Met mijn hoofd in mijn nek laat ik de zonnestralen toe op mijn gezicht. Ze strelen mijn wangen en lijken me gerust te stellen.
Ik besef dat ik actie moet ondernemen, als ik wil weten wat er is gebeurd. Ik besluit op zoek te gaan naar Geert. Ik wil zijn kant van het verhaal horen.
Met tegenzin sta ik op en loop in de richting van duinen.
Ineens realiseer ik me dat Geert er helemaal niet is. Hij had mij hier gisteravond laat nog afgezet. Bij ons vakantiehuisje in de duinen, om even bij te komen. Vaag herinner ik mij weer. Geert had mij op de bank ingestopt en gekust.
Was Geert er eigenlijk nog, of was hij naar huis gegaan?
Ik wist het niet meer…
Het enige geluid dat ik hoor is het bonzen van mijn hart en de zeemeeuwen boven mijn hoofd. Ik loop naar ons huisje tussen de duinen. Stil en verlaten. Waarom ben ik nou zo zenuwachtig? Dit is toch mijn eigen huis?
Net als ik de witte deur van de houten vakantiewoning wil openen zie ik dat hij al open staat. Mijn hart bonst nog harder in mijn keel. Heeft Geert vergeten de deur af te sluiten of is hij er misschien nog? Of….is er misschien wat anders?
Zachtjes duw ik de deur verder open. Gekraak. Ik schrik ervan op, al heb ik dat al wel honderd keer gehoord. Geert zou de scharnieren nog smeren. Had hij beloofd.
Voorzichtig steek ik mijn hoofd naar binnen.
“Hallo?” hoor ik mezelf zeggen.
Mijn stem klinkt krakerig. Angstig. Net of ik het zelf niet ben. Hè, waarom ben ik nou zo’n watje?
Ik probeer mezelf te vermannen. Haal diep adem en loop langzaam het kleine gangetje in. In de verte hoor ik het geluid van de televisie.
“Geert?”, probeer ik zachtjes.
Terwijl ik richting openstaande deur naar de woonkamer loop, zie ik de foto’s aan de muur. Geert en ik op het strand. De kinderen en ik op het strand. Vrolijke gezichten. Voorzichtig werp ik een blik op de woonkamer door de openstaande deur. Mijn hart zakt in mijn schoenen en mijn adem stokt. Ik duw de deur open en kan opeens geen adem meer halen. Ik zie bloed, veel bloed, tegen de muur, op het plafond en op de grond.
De woonkamer is één grote bende. Overal glas verspreid. Mijn lievelingsvaas in stukken op de grond. Het schilderij dat Geert voor mij gemaakt had hangt scheef aan de muur. Ik hap naar adem en probeer steun te zoeken bij de muur.
“Dit is een droom, dit is niet echt”, hou ik mijzelf voor. Buiten hoor ik nog steeds het gekrijs van zeemeeuwen. Verder niets. Ik probeer te slikken, maar mijn mond is zo droog dat het bijna niet gaat.
“Geert’, roep ik verward. ‘Geert, waar ben je?”
Uit de open keuken pak ik een keukenmes en loop via de woonkamer de gang weer op. Ik ren de trap op.
“Geert, ben je hier?”
Hijgend kom ik boven en ik gooi de deur van onze slaapkamer open.
Geert.
Grijnzend kijkt hij mij aan. Zijn haar is nat. Hij heeft net gedoucht.
“Hoi schat, is alles goed met je? Je kijkt zo angstig.”
Verwilderd kijk ik hem aan. “Is er wat, is er wat? Natuurlijk is er wat, heb je het dan niet gezien beneden, totale vernietiging!”.
Ik struikel bijna over mijn woorden.
“Wat had ik moeten zien schat?”.
Geert is kalm. Hij heeft de blouse aan die ik hem zo sexy vind staan. Ik begrijp er helemaal niets van.
“Geert, overal is bloed en alles is kapot!”
Tranen stromen over mijn wangen. Geert pakt het mes dat ik nog steeds in mijn hand heb en kust zacht mijn lippen.
“Ach meisje toch, dat is allemaal maar fantasie.”